Bestaat onvoorwaardelijk geven?

Het basisinkomen is nu nog een gedachte-experiment. De redactie van LaatBloeien gaat op pad om te begrijpen wat het in de praktijk kan betekenen. Deze week:

Lessen uit de geefeconomie

Het grootste bezwaar tegen het basisinkomen is volgens Rutger Bregman moreel: ‘je moet werken voor je geld.’ Volgens hem vinden mensen het idee van ‘gratis geld’, zonder voorwaarden, onrechtvaardig. Tegelijkertijd vinden voorstanders van een basisinkomen de onvoorwaardelijkheid júist haar grootste kracht. Tijd om dit hete hangijzer onder de loep te nemen. Wat betekent onvoorwaardelijk geven? Bestaat het eigenlijk wel?

LaatBloeien duikt hiervoor in de wondere wereld van geefeconomieën. De redactie sprak met voormalig bankier Robbert Vesseur, oprichter van Stichting Geefeconomie, waar onvoorwaardelijk geven centraal staat. En kijkt met een antropologische blik naar de voorlopers van de geefeconomieën: de gift-economieën. Waar, tegenstrijdig genoeg, onvoorwaardelijk geven juist níet de bedoeling is.

Geven zonder verwachting

Robbert Vesseur was beleggingsadviseur bij Triodos bank. Tot hij na de financiële crisis van 2008 het roer radicaal omgooide. Hij gaf zijn bezit weg en verdiepte zich in de geefeconomie.

Voor Robbert begon onvoorwaardelijk geven met zelfonderzoek. “De eerste keer dat ik bijvoorbeeld mijn waardevolle boeken weggaf, had ik heel sterk de verwachting dat de ontvanger mij binnen twee weken een reactie zou geven. Daar betrapte ik mijzelf op. Maar dat is niet onvoorwaardelijk. Je geeft het, omdat je het een mooi boek vindt, en dat gun je een ander. Wat er daarna gebeurt, ligt buiten jouw controle.”

Voor Robbert is de kern van de geefeconomie: bijdragen vanuit eigen beweging. En niet omdat het moet, of omdat je je schuldig voelt. De onderliggende visie is dat de mens waardevol wil zijn voor zichzelf en zijn omgeving. Als we delen, ontstaat er volgens Robbert overvloed. Omdat we niet alles zelf hoeven te bezitten. En dus ook niet over schaarse goederen hoeven te concurreren.

Iedereen die vanuit ‘de maatschappij’ in de geefeconomie stapt, merkt dat het best een omschakeling is, leven volgens deze waarden. “Mensen vinden het moeilijk om zomaar te ontvangen,” vertelt Robbert. Volgens hem kunnen de meeste mensen de zin ‘ik ben waardevol’ niet eens zeggen. En dat hangt samen met ons economisch systeem.

Schuld maakt geld

Daar heerst de homo-economicus, die gaat voor persoonlijke winstmaximalisatie. En met onze huidige financiële sector lijkt dat logisch. Nieuw geld wordt gecreëerd als schuld, doordat een commerciële bank leningen uitgeeft. Die je moet terugbetalen met rente. Hierdoor is er altijd de druk om elders waarde te onttrekken. Van een ander. Of uit de natuur. Tegelijkertijd is het makkelijkste middel om meer geld te maken: geld. Een ongelijke en onmogelijke uitgangspositie, zou je zeggen.

Rutger Bregman legt in Tegenlicht uit dat de mensen die eigenlijk ‘niet werken voor hun geld’, juist degenen zijn die profiteren van bezit. Bijvoorbeeld door een huis dat veel meer waard is geworden. Of kinderen die een smak geld erven van hun ouders. Werken zij daarmee hard voor hun geld? Nee, ze profiteren vooral van een bevoorrechte positie.

Toch lijken we te denken dat het onze eigen schuld is, als we niet hoger op ‘de economische ladder’ komen. De beeldspraak van de ladder suggereert dat het mogelijk is om jezelf omhoog te werken. En wenselijk: hoger is beter. Het argument ‘je moet werken voor je geld’ wordt vooral gebruikt om mensen onderaan de ladder geen onvoorwaardelijk geld toe te vertrouwen. Geld zonder schuld is alleen weggelegd voor degenen die al geld hebben.

Geven met verplichting

Dat schuld een grote rol speelt in de huidige wereld en een boel verziekt, stelt ook antropoloog David Graeber. Maar ook stelt hij dat schuld een grote rol speelt in gift-economieën. Dit zijn economieën waar de belangrijkste vorm van uitwisseling niet ruilen of verkopen is, maar geven zonder directe tegenprestatie. De Trobriand-Eilanden, die begin vorige eeuw uitgebreid bestudeerd zijn door antropoloog Malinowski, vormen een voorbeeld van zo’n economie.

De dynamiek van geven leggen antropologen uit met het begrip ‘reciprociteit’: de verplichting tot geven, tot ontvangen en uiteindelijk tot een tegengift. Doordat de tegengift later komt, bestaan er allerlei (onuitgesproken) afspraken –schuld – tussen mensen en groepen. Dit bindt hen over de lange termijn. Reciprociteit wordt daarom door antropoloog Marcel Mauss omschreven als “de lijm die samenlevingen samenhoudt”. Belangrijker dan het fysieke ding of de dienst die je terugkrijgt, is dat reciprociteit sterke sociale relaties creëert.

Ook binnen een markteconomie bestaat, naast markthandel, reciprociteit. Bijvoorbeeld tussen vrienden. Stel, jij helpt een vriend met verhuizen. Dan is er ergens de verwachting dat deze vriend jou in de toekomst ook helpt, mocht dat nodig zijn. En het is fijn om dat voor elkaar te kunnen doen: het versterkt de band.

Schuldig

Wat schuld is, hangt dus af van de context. Schuld is eigenlijk maar een belofte. Net als een huwelijksbelofte dat bijvoorbeeld is, stelt Graeber. Maar schuld in de vorm van geld lijkt de status van belofte te zijn ontstegen. Daardoor mag het afbetalen afgedwongen worden. En houdt schuld scheve machtsverhoudingen in stand.

Als vangnet aan de onderkant heeft Nederland de bijstand. Een soort basisinkomen voor de armsten, maar dan met heel veel voorwaarden. Deze aanpak kost veel geld. En houdt mensen juist tegen om uit de armoede te komen.

Dat is een van de redenen waarom voorstanders voor een ónvoorwaardelijk basisinkomen zijn. Maar de angst bij de tegenstanders is dat mensen daar misbruik van maken. Door mee te liften op de vruchten van het werk van anderen.

Nog even terug naar reciprociteit en je verhuizende vriend. Je vertrouwt je vriend, dus duidelijke afspraken over een tegenprestatie zijn niet nodig. Maar wat gebeurt er als jij jouw vriend al drie keer hebt helpen verhuizen, en hij wil jou niet met je gebroken been naar het ziekenhuis brengen? Waarschijnlijk vind je hem een hork. En beëindig je de vriendschap.

Dat is in het klein de angst die in het groot zit bij een onvoorwaardelijk basisinkomen. Wat nou als we allemaal horken blijken te zijn? In Robberts visie zou dat niet gebeuren omdat mensen willen bijdragen aan elkaars welzijn en de samenleving. Robbert heeft aan den lijve ondervonden dat hij daarop kon vertrouwen. Een mooi mensbeeld. Maar voor sommigen (nog) een stapje te ver.

Dan helpt het om inspiratie van buiten de markteconomie te halen. Als ontvangers in een gift-economie nooit meer iets teruggeven, dan stort de boel in. En datzelfde geldt bij ons. Een onvoorwaardelijk basisinkomen is dus niet helemaal zonder voorwaarden. Het kan alleen bestaan als mensen blijven bijdragen aan de samenleving.

Zelfs Robberts ideale wereld kan niet zonder een bepaalde voorwaarde: dat mensen blijven geven. En dat is een constructiever uitgangspunt dan onze huidige economie. Waarin juist degenen die al vermogend zijn, makkelijk extra geld kunnen krijgen. In tegenstelling tot degenen die met weinig beginnen. Een onvoorwaardelijk basisinkomen geeft een nieuwe startpositie. Waarin iedereen, in Bregmans woorden, ‘durfkapitaal’ meekrijgt, voor een ondernemend leven mét bestaanszekerheid.

Meer lezen

Geef bijstandsmoeders een basisinkomen
Betaalde bullshit of een baissinkomen

Marcel Maussen: The gift
Verder kijken: Tegenlicht. Rutger Bregman en ‘ons basisinkomen
Verder kijken: David Graeber over schuld

Of schrijf je in voor onze nieuwsbrief